Bewegingsprincipes.

 Tai Chi is gebaseerd op andere bewegingsprincipes dan de principes die in het westen worden gehanteerd. Allereerst rekken Tai Chi beoefenaren hun lichamelijke grenzen op in plaats van dat zij zichzelf over hun grenzen heen tillen. Dit is overeenkomstig de Chinese benadering van 'groei' die op geleidelijkheid is gebaseerd. Een Tai Chi beoefenaar werkt wel aan zijn lichamelijke conditie maar niet aan conditie in de westerse zin: de spieren worden niet getraind zoals in de sportbeoefening.

Uiterlijke kracht wordt niet gebruikt. Er vindt daarentegen een meer geintegreerde belasting van verschillende lichaamsdelen plaats. De energie wordt beter verdeeld: ook de botten, de organen en zelfs de zintuigen worden van energie voorzien. Niet alleen de spieren. Dit levert souplesse en harmonie op en een andere beleving van het lichaam. In Tai Chi staat bovendien de beweging zelf centraal, niet een doel dat ermee zou worden nagestreefd.

Tai Chi volgt de principes uit de natuur, zoals 'onder zwaar, boven licht'. Het middel is het centrale lichamelijke deel in Tai Chi. Het lichaam wordt gestuurd vanuit het middel. De energie zit vooral onder in het lichaam. De Tai Chi beoefenaar is voor te stellen als een tuimelaar, die stevig verankerd niet van zijn plaats te krijgen is, maar wel heel beweeglijk is. En de zwaarte van het lichaam zakt naar beneden. Uiteindelijk kan, na jarenlange oefening, de zwaarte zover zakken dat alleen lichtheid over blijft. Driekwart van de aandacht gaat tijdens de oefening naar het fundament, een kwart naar de bewegende delen.